MENU

Ontworming: Bestrijding van parasieten bij kleine herkauwers

De belangrijkste parasitaire aandoeningen bij schapen en geiten zijn maagdarmwormen, leverbot, schurft en myasis.

Maagdarmwormen

  • maagdarmwormen veroorzaken een verminderde voedselopname, minder wolproductie, minder melkproductie en minder gewichtsaanzet. Ernstige besmettingen (Haemonchus contortus) kunnen zelfs sterfte veroorzaken voornamelijk door het bloedverlies.
  • bij kleine herkauwers komt er veel resistentie voor tegenover een aantal ontwormingsmiddelen zodat deze nog maar slecht werken. De resistentie in de groep van de benzimidazoles is groot (Valbazen®, Panacur®, Bovex®, Rintal® …).
  • in de eerste 6 maanden van hun leven zijn de lammeren zeer gevoelig voor maagdarmwormen, hierna wordt er een immuniteit opgebouwd. Hiervoor is meestal wel contact met de parasiet nodig.
  • tijdens het einde van de dracht en gedurende de zoogperiode van de lammeren is de ooi gevoeliger voor infecties.


In verband met de steeds meer voorkomende resistentie bij schapen en geiten tegen verschillende ontwormingsmiddelen, zijn een aantal maatregelen aan te bevelen:
  • de correcte dosis gebruiken; vaak wordt het gewicht van het dier onderschat.
  • door de ooien te ontwormen op het moment dat ze met hun lammeren naar buiten gaan, wordt de ‘schone’ weide niet besmet. Bij het spenen van de lammeren worden de lammeren het beste nog een keer ontwormd en worden ze weer naar een veilig weiland gebracht; het liefste voor midden juni. Een veilige weide is een weide waar 3 maanden geen schapen hebben gelopen. Ideaal gezien worden ze hierna elke 2-3 weken naar een andere weide gebracht. Indien dit laatste niet mogelijk is, is het noodzakelijk vaker te ontwormen. De frequentie wordt het beste bepaald aan de hand van een mestonderzoek; vaak komt dit neer op elke maand ontwormen.
  • jaarlijks van type ontwormingsmiddel wisselen; eventueel zelfs twee ontwormingsmiddelen combineren.
  • nieuw aangekochte dieren moeten worden ontwormd en minimaal 48 uur in quarantaine gehouden worden. Hun mest mag niet op de weide terecht komen.



Leverbotinfecties.

  • bij schapen kan het ziekteverloop als gevolg van infecties met leverbot (Fasciola hepatica) zeer ernstig zijn: variërend van mager worden en een slechtere wolkwaliteit tot diarree, een gezwollen buik (als gevolg van een toegenomen hoeveelheid vocht door buikvliesontsteking), vocht onder de kaaktakken, gele tot bleke slijmvliezen en acute sterfte.
  • voor de levenscyclus van de leverbot is een speciale slak (Lymnaea truncatula) nodig, hierdoor komen infecties als gevolg van leverbot meer voor in natte gebieden waar er meer slakken zijn.
  • behandeling moet gebeuren met speciale ontwormingsmiddelen; in Nederland is er al resistentie gemeld tegen deze middelen.


De gradatie van bloedarmoede is het beste te bepalen aan de hand van de kleur van de slijmvliezen (bijvoorbeeld die van de ogen); deze moet mooi roze zijn. Deze schapen zijn ernstig aangetast; hun slijmvliezen zijn wit. Haemonchus contortus en Fasciola hepatica (leverbot) kunnen deze ernstige vorm van bloedarmoede veroorzaken

Schurft.

  • bij schapen zorgt voornamelijk de Psoroptes schurftmijt voor grote problemen; deze komt voor op de dichtst behaarde delen en zorgt voor een zeer erge jeuk. Deze kan zo erg zijn dat de dieren niet meer willen eten en zich alleen nog maar willen schuren. Overal in de weide en aan de hekken hangen plukken wol.
  • Een eenmalige behandeling is vaak te weinig; vaak moeten de dieren drie keer worden behandeld met 10 dagen tussentijd. Eventueel is het nodig de schapen na het scheren in bad te doen of ze grondig te wassen.


Schapen met schurft hebben zo’n erge jeuk dat ze zelfs niet meer gaan eten om zich te kunnen schuren.

Myasis.

De groene vleesvlieg (Lucilia sericata) gaat eitjes leggen in de wol van de schapen. Vanaf het tweede larvale stadium hebben de larven mondhaken en voeden ze zich met het vlees van de schapen. De larven hebben een hoge luchtvochtigheid nodig. Schapen met lange wol en diarree zullen dus eerder worden aangetast. Aangetaste dieren zijn onrustig vanwege de jeuk en gaan vaker liggen. Ze staan met hun kop naar beneden. Uit de wonden komt een stinkende vloeistof. Lammeren kunnen binnen enkele dagen sterven als gevolg van de vergiftiging door afvalstoffen in hun bloed. Bij aangetaste schapen moet de wol rond de aangetaste plekken zoveel mogelijk verwijderd worden en daarna alle maden en eitjes. Alle wol die eraf is gehaald moet worden verbrand. Het is mogelijk de dieren te wassen met een oplossing die de maden doodt. Vaak is het nodig de schapen te behandelen met antibiotica. Om te voorkomen dat schapen door myasis worden aangetast is het belangrijk ervoor te zorgen dat de schapen goed geschoren zijn in de risicoperiode (mei – oktober). Ook een goed ontwormingsschema om de kans op diarree te verminderen is belangrijk. Eventueel kunnen de schapen worden behandeld met insecticiden door middel van wassen of sproeien; de werkingsduur hiervan is echter beperkt. Dagelijkse controle blijft dan ook zeer belangrijk!



Door aantasting van maden kunnen er grote wonden ontstaan
Ook schapen met rotkreupel vormen een risicogroep; de maden kunnen zich onder het loszittende hoorn van de klauwtjes bevinden.