MENU

De lammertijd: voortplanting bij schapen en geiten

De draagtijd van een schaap bedraagt gemiddeld 145 dagen, van een geit 150 dagen. Het is mogelijk om te controleren of een ooi drachtig is door middel van echografie. De dieren worden in het najaar bronstig en lammeren in het vroege voorjaar. De lengte van de cyclus bij het schaap is gemiddeld 17 dagen, bij de geit 21 dagen.

De normale geboorte van een lam vindt in vier stadia plaats:
  • De voorbereidingsfase. De uier gaat opzwellen (soms al 14 dagen van tevoren). Wanneer de tepels gespannen komen te staan en er soms al melk uit de uier komt, wal de ooi binnen 36 uur aflammeren. Ook de vulva gaat steeds meer opzwellen en wordt roder.
  • De ontsluitingsfase. Deze fase duurt enkele uren. De ooi gaat zich afzonderen van de groep, is onrustig, gaat steeds liggen en dan weer staan, draait rond en krabt met haar voorpoten. Af en toe perst ze al wat. Uiteindelijk zal ze de waterblaas naar buiten persen.
  • De uitdrijvingsfase. De ooi zal steeds heviger gaan persen. Ze gaat kreunen en krult af en toe haar lip omhoog. Binnen een half uur na het eerste lam zal gewoonlijk een volgend lam geboren worden; dit moet binnen een uur gebeuren.
  • De nageboortefase. Normaal komt de nageboorte 1 tot 2 uur na de geboorte van het laatste lam af.
Het is belangrijk in de lammertijd regelmatig de drachtige ooien te controleren, want soms ligt het lam verkeerd en is er hulp nodig. De meeste schapen lammeren in ongeveer 2 uur af (ontsluitingsfase en uitdrijvingsfase tezamen). Wanneer deze periode is verstreken of wanneer een tweede lam te lang op zich laat wachten, is het verstandig de hulp van een veearts in te schakelen.

Schapen die bijna moeten lammeren worden het beste binnen gehouden. Het lammeren zelf gebeurt het liefst in de groep om stress rondom het aflammeren te voorkomen. Hierna wordt de ooi met haar lammeren in een klein kotje apart gestoken zodat ze haar lammeren goed kan leren kennen. Dit gaat meestal gemakkelijk door de lammeren mee te nemen; de ooi zal ze dan vanzelf volgen. Na enkele dagen kunnen de afgelammerde ooien met hun lammeren in groep worden gehouden.

De navel van het pasgeboren lam moet worden ontsmet met jodiumtinctuur en de uier van de ooi moet worden gecontroleerd; soms kan het voorkomen dat de ooi geen of niet genoeg melk heeft voor haar lammeren. In dat geval moeten de lammeren met de fles bijgevoerd worden.

In de eerste 24 uur na de geboorte moet een lam 210 tot 280 ml biest krijgen per kilogram lichaamsgewicht. Indien de ooi onvoldoende biest heeft, kan het lam runderbiest krijgen of kunstbiest. Wanneer een lam met de fles groot gebracht wordt, heeft hij de eerste week 0,5 tot 0,8 l per dag nodig, de week erna 1,5 l en de derde week 2 l verdeeld over verschillende voedingen. In de tweede week zal het lam al vast voer gaan eten en na 3 – 4 weken kunnen ze in principe zonder melk.

Een andere mogelijkheid is de lammeren overwennen naar een ooi die wel voldoende melk heeft. Dit kan op verschillende manieren. Bij een ooi die net gelammerd heeft kan het te adopteren lam ingesmeerd worden met vruchtwater en wordt dit lam als eerste getoond aan de ooi. Indien de ooi maar 1 lam heeft gekregen, is meestal de beste methode om het eigen lam weg te halen van de ooi en er twee nieuwe lammeren voor in de plek te geven. Wanneer de ooi namelijk nog kan kiezen tussen haar eigen lam en een vreemd lam, zal ze toch meestal haar eigen lam verkiezen en het andere lam niet laten drinken.

Soms kan het adopteren bevorderd worden door de lammeren in te smeren met een ‘lekkere’zoetstof zoals melasse. Wanneer de ooi een dood lam heeft, is het mogelijk het vel van het dode lam bij het levende lam aan te trekken. Het is erg belangrijk dat het staartje intact blijft, hieraan herkent de ooi immers haar lammeren. In alle gevallen is het uiterst belangrijk dat de ooi en haar geadopteerde lammeren goed in de gaten gehouden worden of de lammeren inderdaad mogen drinken. Vaak is het nodig de ooi nog regelmatig vast te houden om de lammeren de kans te geven te kunnen drinken.